Winnaar schrijfwedstrijd

MOEDERSCHOOT, I

Zestien mei. Ze zit op mijn schoot en ze bladert. Het boek koos ze van de laagste plank, de beste plank: herhaling werkt. Zevenenvijftigste lezing, naar schatting. Ze mompelt in vage herkenning, ze aait een eend, blubt een vis. Ze verenigt alle viervoeters onder één gezellige noemer. Ze loeit naar de plaatjes: te moe voor het verschil tussen paard en koe.

Ze zit op mijn schoot en dat volstaat. Vers uit bad. Het heeft, als je twee bent, nog iets van vruchtwater. De wereld woelt maar zij dobbert. Warm water heeft het antwoord op al haar zorgen. Warm water of: mijn armen. Mijn armen of: de nacht.

Ik lepel haar woorden en melk. Wapens voor later, groeivoer voor nu. Lekker, van bij ons. Ze wortelt achteloos, verwonderd. Ze speelt met poppen, bouwt met blokken. Het huis dat ze stapelt is nog wankel. Maar vanzelfsprekend vergund.

Ze zit op mijn schoot en ze dommelt. Haar lijfje wordt zwaar, in vol vertrouwen. En ik heb vertrouwen in ruil. De trap is stabiel, de lakens zacht. Haar ene wang duikt in het dons, de andere vangt: een zoen. De nacht zegt welkom.
En morgen ook: de dag.

MOEDERSCHOOT, II

Zestien mei. Ze zit op mijn schoot en ze aarzelt. Mijn jas is warm, mijn geur
vertrouwd, de frisse nacht is nieuw. Ze praat nog niet maar haar lijfje spreekt. Haar blik is ernstig en wakker. Ze kent dit soort reis, daglichtloos: herhaling werkt.
Ze zit op mijn schoot en ze wacht.

Ik vraag me af hoe vaak al, sinds zij er is. Hoe vaak ze van nieuw naar nieuw is verhuisd. Op een veilige schoot, boven vreemd asfalt. Op een weg, op weg. In een land niet van ons. Het heeft, als je twee bent, iets van ongeboren zijn. Zo lang de grond onder haar voeten niet op papieren past, woont ze op mijn buik.

Ze zit op mijn schoot en ze schuifelt. Ze heeft honger, murmelt “dorst”. Ze houdt vast aan wat is, zonder beeld van wat komt. Een broer, een schoot, een fles. Ik lepel haar troost en melk. Op weg naar later, groeivoer voor nu.


Ze zit op mijn schoot en ze wankelt. Haar lijfje wordt zwaar, dicht bij mij. De
wereld draait, de auto slingert. Haar ene wang duikt in mijn schoot, de andere vangt: een kogel. De nacht is pijnlijk blauw verlicht.
En morgen: geen dag.

 

Riet Van de Walle

 

 

 

Met deze tekst wint Riet Van de Walle de schrijfwedstrijd "de veiligste plek".
We danken de 54 inzendingen, jullie maakten het de jury niet makkelijk.


Reacties

Reageer
  • Er zijn nog geen reacties op dit artikel. Wees de eerste om te reageren.

Schrijf je in op onze nieuwsbrief

Goed voor uw culturele gezondheid.